ECLI:NL:RBZWB:2024:8211
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €483.000 per 1 januari 2022, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van 2023. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en de aanslag. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.
De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken zijn gebruikt. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €474.000 zou moeten zijn en betoogde dat slechts twee referentiewoningen relevant zijn vanwege verschillen in bouwstijl en oppervlak. De rechtbank oordeelde dat de drie referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar de verschillen adequaat heeft verwerkt.
Belanghebbende voerde aan dat de woning een gedateerde badkamer en een lager duurzaamheidsniveau heeft, wat onvoldoende in de waarde zou zijn meegenomen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar met indexering en grondstaffels voldoende rekening heeft gehouden met dergelijke factoren en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde om de waarde aan te vechten.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierechten of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €483.000 blijft gehandhaafd.