ECLI:NL:RBZWB:2024:8213
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1980 met een gebruiksoppervlak van 124 m2 en een kavel van 327 m2, inclusief een garage en overkapping. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €338.000 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op voor 2023. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en aanslag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
In het beroep betoogde belanghebbende dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld, met name door discussie over de gebruikte referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde had vastgesteld met de vergelijkingsmethode aan de hand van drie referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren qua ligging, bouwjaar en oppervlak. De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat slechts twee referentiewoningen gebruikt mochten worden.
De rechtbank constateerde een fout in de toepassing van een correctie in het taxatierapport, maar deze was in het voordeel van belanghebbende en bleef zonder gevolgen. De heffingsambtenaar had voldoende rekening gehouden met verschillen tussen de woningen, waaronder grondprijs, voorzieningen en onderhoud. De stellingen van belanghebbende over onderhoud en ligging waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.