Betrokkene, gediagnosticeerd met vasculaire dementie en recentelijk cognitief achteruitgaand, verblijft sinds 18 november 2024 in een zorgaccommodatie op grond van een inbewaringstelling door de burgemeester van Breda. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om verlenging van deze inbewaringstelling voor zes weken vanwege het dreigend ernstig nadeel door zelfverwaarlozing en gevaarrisico's.
Tijdens de zitting op 21 november 2024 werd betrokkene gehoord, evenals een specialist ouderengeneeskunde, een verpleegkundige en de echtgenote van betrokkene. De specialist bevestigde de diagnose en de recente verslechtering, waaronder dwaalgedrag en een incident waarbij betrokkene zijn echtgenote opsloot. De verpleegkundige meldde dat betrokkene de zorg accepteert en rustiger is in de nacht. De echtgenote erkende het incident, maar benadrukte dat zij niet ernstig gewond raakte.
De advocaat van betrokkene stelde dat hoewel er sprake is van een psychogeriatrische aandoening en ernstig nadeel, de huidige opname het nadeel voldoende afwendt en betrokkene geen actief verzet toont tegen opname. De rechtbank concludeerde dat de wettelijke vereisten voor voortzetting van de inbewaringstelling niet zijn vervuld, omdat betrokkene meewerkt en geen verzet toont. Daarom werd het verzoek afgewezen.