De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2009 en 2012, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gescheiden en belasten gezamenlijk het ouderlijk gezag. De kinderrechter heeft de zaak op 19 november 2024 mondeling behandeld met gesloten deuren, waarbij de vader, moeder, hun partners en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De minderjarigen zijn gehoord en hebben hun mening gegeven over de voortzetting van de ondertoezichtstelling.
De GI stelt dat de minderjarigen klem zitten tussen de ouders en hun partners, wat leidt tot loyaliteitsconflicten en onvoldoende constructieve samenwerking. De hulpverlening is pas recent gestart, waardoor de ontwikkelingsbedreiging nog niet is opgeheven. De vader erkent de situatie en de noodzaak van hulp, terwijl de moeder twijfelt over de meerwaarde van verlenging gezien het beperkte resultaat tot nu toe. De minderjarigen zelf ervaren de situatie verschillend; de oudste wil graag dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, terwijl de jongste dit onnodig vindt.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld en dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor negen maanden, van 1 december 2024 tot 1 september 2025, met een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De kinderrechter benadrukt het belang van een vertrouwenspersoon voor de oudste minderjarige en een betere verstandhouding tussen de betrokkenen. Tevens wordt van de GI verwacht dat bij een volgend verlengingsverzoek een gedetailleerd maandrapport wordt overlegd.