ECLI:NL:RBZWB:2024:8266

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
4 december 2024
Zaaknummer
02-158120-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 242 SrArt. 6:106 BWArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verkrachting met ernstig geweld en immateriële schadevergoeding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 22 oktober 2022 het slachtoffer met ernstig geweld heeft verkracht. Verdachte heeft het slachtoffer gedwongen tot seksuele handelingen door onder meer slaan, bijten, wurgen en trekken aan haar haren. Verdachte was niet verschenen op de zitting en had ontkend.

De rechtbank achtte de verkrachting wettig en overtuigend bewezen op basis van diverse bewijsmiddelen en verklaarde verdachte strafbaar. Gezien de ernst van het gebruikte geweld legde de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden op, hoger dan de eis van 36 maanden van de officier van justitie.

Daarnaast vorderde het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van €10.000,-. De rechtbank kende op grond van artikel 6:106 BW Pro een vergoeding van €7.500,- toe, met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. De schadevergoedingsmaatregel wordt door het CJIB geïnd en kan bij niet-betaling leiden tot gijzeling.

De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met aftrek van het voorarrest. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen en niet meegewerkt aan het onderzoek, wat mede heeft meegewogen in de strafoplegging.

De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en veroordeelde hem tevens in de kosten van het slachtoffer, die nihil werden begroot.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf en betaling van €7.500 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-158120-23
vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [land] )
niet als ingezetene in de Basisregistratie Personen ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 november 2024. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.2.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De bewezenverklaring volgt uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen.
4.3
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 22 oktober 2022 te [plaats] , door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
immers heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of gehouden
en bestaande dat geweld hierin dat verdachte
‐ die [slachtoffer] op haar buik op bed heeft gelegd en/of bij haar armen/polsen heeft
vastgepakt en
‐ het hoofd van die [slachtoffer] in het kussen heeft gedrukt en
‐ die [slachtoffer] heeft gebeten in haar borst en/of lichaam en
‐ die [slachtoffer] heeft geknepen in haar armen en/of handen en
‐ die [slachtoffer] meermalen heeft geslagen tegen haar gezicht en/of op haar benen, billen
en/of vagina en
‐ die [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en
‐ die [slachtoffer] heeft gewurgd en
aldus voor die [slachtoffer] een ongelijkwaardige en bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen en kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden.
6.2
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft op 22 oktober 2022 [slachtoffer] met geweld verkracht. Verdachte en [slachtoffer] hadden eerder die dag op vrijwillige basis seks gehad. Toen zij later die dag weer seks hadden, vroeg verdachte of [slachtoffer] haar vriendin wilde vragen om mee te doen. [slachtoffer] weigerde dat. Verdachte accepteerde dat niet: hij sloeg, kneep en beet [slachtoffer] om seks met haar af te dwingen. Op enig moment werd zij zelfs door verdachte gewurgd. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij het op dat moment opgaf. Dat moet een angstaanjagende ervaring voor haar zijn geweest.
Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor het slachtoffer. Het leidt ook maatschappelijke verontwaardiging en onrust. Verdachte heeft bij dit niet of onvoldoende stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging kennelijk vooropgesteld. Bovendien heeft verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij heeft bij de politie ontkend [slachtoffer] verkracht te hebben, hij heeft niet meegewerkt met het onderzoek van de reclassering en hij is ook niet verschenen op de zitting.
Mede gelet op de ernst van het door verdachte gebruikte geweld is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van de door de officier van justitie gevorderde straf. Zij zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf van 42 maanden opleggen met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 10.000,- (immateriële schade) voor het feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is haar schade te vergoeden.
De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. Er was immers sprake van lichamelijk letsel en ook was er sprake van een aantasting in de persoon “op andere wijze”, waarbij de schade volgt uit de aard en ernst van het feit en de aard en ernst van de gevolgen van het feit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.500,-. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank daarom toewijsbaar tot dat bedrag. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende schadebedrag de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 22 oktober 2022 tot aan de dag van volledige betaling.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Verkrachting
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening;
- wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige af;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] ,
€ 7.500,-te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2022, alles tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet-betaling
72 dagengijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. J.M.J.C. Paijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 december 2024.