Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.de heer [gedaagde sub 1] ,
[bewindvoerder]h.o.d.n.
[bewindvoerderskantoor]in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de heer [gedaagde sub 1] ,
ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK PLAATSELIJK BEKEND ALS [adres 1] [plaats 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 22 oktober 2024, met producties 1 tot en met 16;
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 21 november 2024 en de bij die gelegenheid voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Dibbets.
2.Het geschil
3.De beoordeling
BPD zal de ruimten leeg gaan maken en zal de kosten hiervoor bij de heer [gedaagde sub 1]
BPD zal deze week contact opnemen met een partij die dit voor ons wil oppakken en
De heer [gedaagde sub 1] heeft dus tot dat moment om de spullen die hij wil behouden in zijn
De heer [gedaagde sub 1] zal de andere gebruikers op de hoogte brengen dat zij hun spullen weg moeten halen voor deze datum. Anders zullen ook deze spullen dus opgeruimd worden.
De heer [gedaagde sub 1] zal vervolgens alleen gebruik maken van [kamernummer] ."
“Ik geef onderdak aan iedereen die het nodig heeft (…)”. In dit kort geding is voorshands dan ook voldoende komen vast te staan, dat deze derden in de Overige ruimtes verblijven zonder recht of titel, waardoor zij ex artikel 5:1 BW Pro in strijd handelen met het eigendomsrecht van BPD en eveneens onrechtmatig handelen jegens BPD op grond van artikel 6:162 BW Pro door een inbreuk te maken op het eigendomsrecht van BPD. Artikel 5:2 BW Pro geeft BPD als eigenaar van de onroerende zaak de bevoegdheid om haar eigendom op te eisen van iedereen die dit zonder recht onder zich houdt. Dit betekent BPD haar eigendomsrecht kan handhaven tegenover iedereen die daar inbreuk op maakt. De vordering tot ontruiming van de Overige ruimtes jegens deze derden (gedaagden sub 3, de Overige Gebruikers) is dan ook toewijsbaar.
€ 178,00(plus verhoging als in het dictum vermeld)