ECLI:NL:RBZWB:2024:8293

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
C/02/429225 / JE RK 24-2155
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens psychische problematiek moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee jonge minderjarigen wegens de ernstige psychische problematiek van hun moeder. De moeder kampt met verergerende psychiatrische klachten, waaronder wanen en achterdocht, waardoor zij niet in staat wordt geacht voor haar kinderen te zorgen.

De kinderrechter beslist zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden vanwege het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de kinderen. Er is een ernstig vermoeden dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling is vervuld en dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is om hun veiligheid te waarborgen.

De minderjarigen worden voorlopig onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling en met spoed uit huis geplaatst in een pleegzorgvoorziening voor de duur van twee weken. De beslissing tot uithuisplaatsing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De resterende verzoeken worden aangehouden tot een mondelinge behandeling, waarbij de moeder een advocaat zal worden toegevoegd.

Uitkomst: De minderjarigen worden voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst vanwege de ernstige psychische problematiek van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/429225 / JE RK 24-2155
Datum uitspraak: 27 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda, hierna te noemen de Raad,
over de minderjarigen
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende in deze zaak aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het op 27 november 2024 namens de Raad mondeling gedane verzoek;
  • de schriftelijke bevestiging van het mondeling gedane verzoek, met bijlagen, ontvangen op 28 november 2024.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft hen niet erkend en is niet betrokken in hun leven.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg (hierna te noemen: de GI), voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad verzoekt daarnaast om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden.
3.3.
De Raad verzoekt voorts om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De Raad heeft mondeling verzocht om onmiddellijk te beslissen op voormelde verzoeken, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.2.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.3.
Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt, samengevat, onder meer het volgende. De moeder kampt met psychiatrische problematiek. Onder invloed daarvan is zij verward en achterdochtig en kampt zij met wanen. In de afgelopen dagen is gebleken dat de problematiek van de moeder, mogelijk doordat de moeder haar medicatie niet (trouw) inneemt, verergert. Op 26 en 27 november 2024 hebben de behandelaren vanuit de ggz met behulp van de politie meermaals moeten ingrijpen. Met het oog op het huidige verslechterende toestandsbeeld van de moeder, wordt zij door de behandelaren vanuit de ggz niet in staat geacht om rationele beslissingen te nemen die in het belang van de minderjarigen zijn en hun veiligheid te borgen. Dit terwijl de minderjarigen, vanwege hun jonge leeftijd, volledig afhankelijk zijn van hun verzorger en opvoeder, in dit geval de moeder. Een plaatsing van de minderjarigen samen met de moeder is, aldus de Raad, overwogen. Echter, dit is al viermaal eerder geprobeerd zonder positief resultaat. Tegelijkertijd zijn de zorgen zelfs verergerd. Een vijfde plaatsing van de minderjarigen en de moeder gezamenlijk zou dan ook een herhaling van zetten zijn. Gelet hierop acht de Raad een uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk, teneinde hun veiligheid te waarborgen en te bewerkstelligen dat de moeder kan toekomen aan de noodzakelijk geachte behandeling. Aangezien de moeder niet kan instemmen met een uithuisplaatsing van de minderjarigen, is tevens een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk.
4.4.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van de verzoeken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op de verzoeken beslist.
4.5.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld zoals neergelegd in artikel 1:255 BW Pro. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen daarom op grond van artikel 1:257 BW Pro voorlopig onder toezicht gesteld worden van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, met ingang van 27 november 2024 en tot 11 december 2024. De verzoeken zullen voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen dag en tijdstip waarop de mondelinge behandeling zal plaatsvinden.
4.6.
Ook is het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met spoed uit huis worden geplaatst (op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW), nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van hun verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg zal eveneens worden verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 27 november 2024 en tot 11 december 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen mondelinge behandeling.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.7.
De kinderrechter zal de beslissing tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gelet op de aard van die maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
Overig
4.8.
Nog voor de hierna te noemen mondelinge behandeling zal aan de moeder een advocaat worden toegevoegd.
4.9.
Verdere beslissingen op de beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg , met ingang van 27 november 2024 tot 11 december 2024;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 27 november 2024 tot 11 december 2024, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt het resterende deel van de verzoeken aan tot de mondelinge behandeling van
vrijdag [datum] 2024 te [uur], bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de persoon van mr. Bogaert, gehouden in het gerechtsgebouw te Breda aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de moeder, de Raad en de GI;
5.5.
wijst af het verzoek voor zover het ziet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
5.6.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven op 27 november 2024 door mr. Toekoen, kinderrechter, en op 28 november 2024 op schrift gesteld en ondertekend in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.