ECLI:NL:RBZWB:2024:8304

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
C/02/428162 / FA RK 24-5045
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Combee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 RvArt. 1:12 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak ouderlijk gezag en verblijf minderjarige naar bevoegde rechtbank Rotterdam

De man verzocht de rechtbank om het hoofdverblijf van zijn minderjarige kind bij hem te bepalen en een zorg- en contactregeling tussen de vrouw en het kind vast te stellen. De rechtbank beoordeelde haar bevoegdheid op grond van artikel 265 Rv Pro en artikel 1:12 BW Pro. Omdat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en het kind feitelijk bij de man woont, is de woonplaats van het kind de woonplaats van de man.

De rechtbank constateerde dat zij niet bevoegd was omdat de woonplaats van het kind in het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam ligt. Daarom verklaarde zij zich onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank Rotterdam. De beschikking werd op 6 november 2024 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Combee.

Er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak, via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, met tussenkomst van een advocaat.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/428162 / FA RK 24-5045
Datum uitspraak: 6 november 2024
Verwijzingsbeschikking
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2],
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als informant in deze zaak aan:
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het procesverloop

Het procesdossier bevat het verzoekschrift van 24 oktober 2024, met bijlagen, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 28 oktober 2024.

2.De verzoeken

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen;
  • een zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] te bepalen.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen.
3.2.
Op grond van artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt als woonplaats van de minderjarige aangemerkt de woonplaats van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
3.3.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige], maar dat [minderjarige] feitelijk bij de man woont. Uit het ambtshalve door de rechtbank geraadpleegde uittreksel van de man uit de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat de man bij de gemeente staat ingeschreven op een adres in [woonplaats 1].
3.4.
Gelet hierop is deze rechtbank niet bevoegd om het verzoek te behandelen. Deze rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de wel bevoegde rechtbank, in dit geval de rechtbank Rotterdam.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen;
4.2.
verwijst deze zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Rotterdam.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024 door mr. Combee, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.