ECLI:NL:RBZWB:2024:8308
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag omzetbelasting en boete wegens schending vertrouwensbeginsel
Belanghebbende B.V. kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode van 12 december 2019 tot en met 31 december 2021, inclusief een verzuimboete en belastingrente. De naheffing volgde op het terugnemen van eerder geclaimde voorbelasting, omdat de inspecteur van mening was dat de fiscale eenheid uitsluitend OB-vrijgestelde prestaties verrichtte.
Belanghebbende stelde dat door het uitblijven van een reactie op haar brief van 1 maart 2021 een in rechte te honoreren vertrouwen was gewekt dat de teruggaven juist waren, en dat dit vertrouwen pas op 11 augustus 2022 door de inspecteur werd doorbroken. De inspecteur betwistte dit en verwees naar het verbod op contra legem werking van het vertrouwensbeginsel in het kader van Europees recht.
De rechtbank oordeelde dat uit de brief van belanghebbende niet bleek dat zij uitsluitend OB-vrijgestelde prestaties verrichtte en dat de inspecteur niet bewust was van een dergelijk standpunt. Daarom kon uit het verlenen van teruggaven geen vertrouwen worden geput dat de inspecteur het recht op aftrek erkende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet en de naheffingsaanslag bleef in stand.
De opgelegde boete werd passend bevonden, maar vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer negen maanden werd de boete ambtshalve met 10% verminderd. Belanghebbende had geen bezwaar tegen de boete geuit. De belastingrente bleef onverminderd van kracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffiegeld werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag blijft in stand en de boete wordt verminderd tot € 1.768 wegens overschrijding van de redelijke termijn.