De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 juni 2025. De eerdere machtiging was verlopen omdat er geen gebruik van was gemaakt binnen drie maanden na afgifte. Inmiddels is een geschikt gezinshuis gevonden waar de minderjarige kan worden geplaatst.
De moeder verzet zich tegen het verzoek omdat zij het niet in het belang acht dat de tweelingbroers uit elkaar worden gehaald en zij onvoldoende betrokken is bij het plaatsingstraject. De vader onderschrijft het belang van de plaatsing van de minderjarige in het gezinshuis en geeft aan dat de situatie thuis onhoudbaar is geworden.
De kinderrechter overweegt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het verblijf bij de vader niet langer mogelijk is. Ondanks het begrijpelijke bezwaar van de moeder wordt de machtiging verleend omdat er geen zicht is op een gezamenlijke plaatsing van de broers. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de plaatsing direct kan plaatsvinden.