Partijen, voormalige partners met gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, zijn in geschil over de invulling van de zomervakantieregeling voor hun kind. De moeder en vader hebben reeds een voorlopige omgangsregeling via mediation, maar konden geen overeenstemming bereiken over de vakantiedagen in augustus 2024.
De vader vordert dat het kind een week aaneengesloten bij hem verblijft om met zijn dochters op vakantie te kunnen gaan. De moeder pleit voor een geleidelijke opbouw van de omgangsduur, rekening houdend met de leeftijd en draagkracht van het kind.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een regeling waarbij het kind eerst bij de vader thuis landt voor de vakantie en ook na de vakantie eerst bij de vader verblijft, om rust en hechting te bevorderen. Na schorsing en overleg komt de moeder deels tegemoet aan dit advies.
De voorzieningenrechter volgt het advies van de Raad en bepaalt dat het kind van zaterdag 10 augustus tot zaterdag 17 augustus 2024 bij de vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt op zaterdagmiddag. De kosten van de procedure worden tussen partijen gecompenseerd.