Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[pleegouder 2],
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Kindgesprek
5.De standpunten
6.De beoordeling
7.De beslissing
mr. De Graaf, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om toestemming voor wijziging van het verblijf van een minderjarige, die sinds haar geboorte bij pleegouders woont, op grond van vermoedelijke mishandeling. De minderjarige deed op school melding van mishandeling door haar pleegvaders, waarna Veilig Thuis en forensisch onderzoek werden ingeschakeld. De minderjarige werd tijdelijk uit huis geplaatst in een crisisgezin.
De pleegouders ontkennen mishandeling en erkennen slechts incidenteel hardhandig gedrag. Er is een behandeltraject MST-CAN ingezet met als doel terugplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte de precaire situatie en het belang van spoedige terugplaatsing.
De rechtbank oordeelt dat tijdelijke uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, maar stelt dat deze niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. Gezien het lopende onderzoek en het behandeltraject wordt de uithuisplaatsing toegestaan tot 1 december 2024, waarna terugplaatsing dient plaats te vinden. Het verzoek wordt voor dat deel toegewezen en voor het overige afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot wijziging verblijf minderjarige wordt toegewezen tot 1 december 2024 met terugplaatsing daarna.