Verzoekers ontvingen sinds maart 2022 een uitkering op grond van de Participatiewet. Het college voerde een onderzoek uit naar mogelijke handelsactiviteiten van verzoekers via Marktplaats, waarbij advertenties met het telefoonnummer van verzoeker werden aangetroffen. Verzoekers stelden dat de advertenties door hun zoon werden geplaatst en dat zij geen inkomsten hadden uit deze verkoopactiviteiten.
Het college sommeerde verzoekers om een controleerbare administratie te overleggen, wat niet gebeurde. Op basis hiervan schortte het college de uitkering op 24 september 2024 op en trok deze per dezelfde datum in. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen een voorlopige voorziening, die op 5 december 2024 werd behandeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de opschorting en intrekking terecht waren omdat verzoekers onvoldoende informatie verstrekten om het recht op bijstand vast te stellen. De advertenties en de aard daarvan wezen op handelsactiviteiten in plaats van incidentele verkoop. Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen en kregen verzoekers geen proceskostenvergoeding.