De zaak betreft een verzoek van de GI tot een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021, die sinds april 2021 onder toezicht staat. De minderjarige verbleef sinds oktober 2024 met de moeder in een moeder-kindhuis. Op 25 november 2024 meldde de moeder mishandeling van de minderjarige, waaronder slaan en knijpen, veroorzaakt door haar eigen psychische spanningen en angst voor een psychose.
Na een beoordeling van de geestelijke gezondheid van de moeder en medicatievoorschrift verbleef de minderjarige tijdelijk bij opa en oma. Ondanks de intensieve hulpverlening in het moeder-kindhuis bleef de moeder de minderjarige mishandelen, wat leidde tot acute veiligheidsrisico's. De moeder vertrok onverwacht uit het moeder-kindhuis, waardoor de zorg voor de minderjarige verder in gevaar kwam.
De GI zocht en vond een perspectief biedend pleeggezin waar de minderjarige vanaf 5 december 2024 kan verblijven. De kinderrechter oordeelt dat onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verleent de spoedmachtiging voor vier weken met ingang van 4 december 2024. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het resterende verzoek wordt aangehouden tot een mondelinge behandeling.