ECLI:NL:RBZWB:2024:8348

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
C/02/429478 / JE RK 24-2184
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens acute zorgnood

De zaak betreft een verzoek van de GI tot een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021, die sinds april 2021 onder toezicht staat. De minderjarige verbleef sinds oktober 2024 met de moeder in een moeder-kindhuis. Op 25 november 2024 meldde de moeder mishandeling van de minderjarige, waaronder slaan en knijpen, veroorzaakt door haar eigen psychische spanningen en angst voor een psychose.

Na een beoordeling van de geestelijke gezondheid van de moeder en medicatievoorschrift verbleef de minderjarige tijdelijk bij opa en oma. Ondanks de intensieve hulpverlening in het moeder-kindhuis bleef de moeder de minderjarige mishandelen, wat leidde tot acute veiligheidsrisico's. De moeder vertrok onverwacht uit het moeder-kindhuis, waardoor de zorg voor de minderjarige verder in gevaar kwam.

De GI zocht en vond een perspectief biedend pleeggezin waar de minderjarige vanaf 5 december 2024 kan verblijven. De kinderrechter oordeelt dat onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verleent de spoedmachtiging voor vier weken met ingang van 4 december 2024. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het resterende verzoek wordt aangehouden tot een mondelinge behandeling.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin wegens acute onveiligheid en mishandeling door de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/429478 / JE RK 24-2184
Datum uitspraak: 4 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de GI op 4 december 2024;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen van 4 december 2024, ontvangen op 4 december 2024.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 12 april 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 april 2021 en tot 12 april 2022, welke laatstelijk bij beschikking van 9 oktober 2024 is verlengd tot 12 oktober 2025.
2.3.
Bij beschikking van 29 april 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 april 2022 en tot 12 oktober 2022. Bij beschikking van 6 oktober 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg laatstelijk verlengd tot 12 oktober 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 april 2024 is aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening, te weten een moeder- kindhuis, vanaf het moment dat er een geschikt moeder-kindhuis beschikbaar is.
2.5.
[minderjarige] verblijft sinds 1 oktober 2024 met de moeder in een moeder-kindhuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van vier weken en om deze beschikking onverwijld af te geven, zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling (naar de kinderrechter begrijpt: tot 12 oktober 2025). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.3.
Op grond van de overgelegde stukken komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is om de verzochte spoedmachtiging te verlenen.
Gebleken is dat er grote zorgen over de situatie van [minderjarige] zijn. [minderjarige] verblijft, na een opbouwfase, sinds 1 oktober 2024 samen met de moeder in een moeder-kindhuis. Op 25 november 2024 heeft de moeder aan de begeleiding verteld dat zij [minderjarige] sinds twee weken dagelijks slaat, knijpt, tegen hem schreeuwt en hem regelmatig in zijn bedje gooit. De aanleiding hiervan ligt volgens de moeder in het gedrag dat [minderjarige] laat zien; dat gedrag brengt de moeder hoog in spanning. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij bang is om weer een psychose te krijgen en dat zij niet goed weet of zij [minderjarige] iets ergers aan zou doen op de momenten dat zij zich buiten haarzelf geplaatst voelt.
Uiteindelijk heeft er diezelfde dag nog een beoordeling van de geestelijke gezondheid van de moeder plaatsgevonden, waarna de moeder medicatie voorgeschreven heeft gekregen. In overleg is besloten dat [minderjarige] bij opa en oma moederszijde (mz) zou gaan logeren.
Mede door de positieve effecten van de medicatie en de beschikbare 24-uurs begeleiding in het moeder-kindhuis is [minderjarige] op 28 november 2024 teruggaan naar het moeder-kindhuis. In de avond was de moeder, nadat zij tegen de begeleiding had gezegd dat het avondritueel goed zou komen, hoog in haar spanning, niet goed aanspreekbaar en heeft zij [minderjarige] kennelijk bij de keel vastgepakt, aangezien er plekken in zijn nek zichtbaar waren.
De begeleiding van het moeder-kindhuis heeft vervolgens voor [minderjarige] gezorgd, totdat moeder weer aanspreekbaar was. De volgende dag is [minderjarige] naar opa en oma mz gegaan om zijn veiligheid te kunnen waarborgen.
De moeder zou op 29 november 2024 (opnieuw) worden beoordeeld, ditmaal door de crisisdienst. Zij was echter niet meer in het moeder-kindhuis aanwezig en heeft vervolgens laten weten dat zij is vertrokken en niet meer terug zal komen.
Omdat de moeder op dit moment niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen en de meest intensieve vorm van hulpverlening – zijnde het moeder-kindhuis – ook niet heeft niet kunnen voorkomen dat de moeder [minderjarige] emotioneel en fysiek heeft mishandeld, opa en oma mz slechts kortdurend – te weten een week – voor [minderjarige] kunnen zorgen en de plaatsing van [minderjarige] bij het vorige pleeggezin geen optie is, heeft de GI naar een perspectief biedend pleeggezin gezocht, welke is gevonden en waar [minderjarige] vanaf 5 december 2024 kan verblijven. Uit het (mondelinge) verzoek(schrift) blijkt dat de moeder verdrietig is over de situatie, maar dat zij het gezien de omstandigheden begrijpt.
4.4.
Gelet op het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] in het belang van zijn verzorging en opvoeding met spoed uit huis wordt geplaatst in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) en dat de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De GI en de moeder worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op het verzoek op de hierna vermelde mondelinge behandeling.
4.5.
In afwachting van deze mondelinge behandeling zal de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken worden verleend met ingang van 4 december 2024 en tot 18 december 2024, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek, als in het dictum vermeld.
4.6.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 december 2024 en tot 18 december 2024;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2024 om [uur]voor de duur van 45 minuten ten overstaan van mr. De Beer, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI en de moeder;
5.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024. Bij afwezigheid van mr. De Beer is de schriftelijke weergave van de beschikking gecontroleerd en ondertekend door mr. Voorn, kinderrechter, op 5 december 2024, in aanwezigheid van de griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.