De strafzaak betreft een omvangrijk onderzoek naar criminele activiteiten rondom vier coffeeshops, met verdenkingen van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, valsheid in geschrift, oplichting, belastingfraude en overtredingen van de Opiumwet. Het onderzoek startte in 2011 en heeft geleid tot meerdere verdachten en internationale vervolgingen.
Na jarenlange procedurele stappen en regiezittingen is in 2022 een overeenkomst buitengerechtelijke afdoening gesloten tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij verdachte een geldboete betaalde en andere verplichtingen nakwam. De rechtbank constateert dat deze overeenkomst volledig is uitgevoerd en dat het strafvorderlijk belang bij verdere vervolging ontbreekt.
Hoewel de rechtbank benadrukt dat zij geen partij was bij de overeenkomst en dat de wet geen bevoegdheid aan het OM geeft om dergelijke afdoeningen te treffen na aanvang van de rechtszaak, oordeelt zij dat de verdachte vrijwillig heeft ingestemd en dat het belang van de verdachte en de samenleving in deze uitzonderlijke zaak hiermee gediend is.
De rechtbank waarschuwt echter dat deze wijze van afdoening zonder wettelijke basis niet herhaald mag worden en dat procesafspraken de juiste weg zijn. Gelet op de specifieke omstandigheden verklaart de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.