In deze strafzaak, die betrekking heeft op een omvangrijk onderzoek naar criminele activiteiten rond vier coffeeshops, heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. Dit volgt op een overeenkomst buitengerechtelijke afdoening en ontneming, waarbij verdachte een geldboete heeft betaald en aan overige verplichtingen heeft voldaan.
Het onderzoek BRZ 408 startte in 2011 en richtte zich op onder meer deelname aan een criminele organisatie en handel in softdrugs. Verdachte werd ook in Thailand veroordeeld voor witwaspraktijken. Na jarenlange procedurele stappen en meerdere zittingen zijn er afspraken gemaakt tussen OM en verdediging over een alternatieve afdoening zonder tussenkomst van de rechtbank.
De rechtbank weegt het belang van verdachte, die vrijwillig instemde met de afdoening, en het belang van de samenleving. Hoewel de gekozen afdoeningswijze niet wettelijk is verankerd, acht de rechtbank de situatie uitzonderlijk en concludeert dat het strafvorderlijk belang bij vervolging ontbreekt. De rechtbank benadrukt dat dergelijke werkwijze niet herhaald moet worden zonder wettelijke basis en dat procesafspraken de juiste weg zijn.
De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.