De zaak betreft een strafrechtelijk onderzoek naar een criminele organisatie achter meerdere coffeeshops, met verdenkingen van witwassen, valsheid in geschrift, oplichting, belastingfraude en overtredingen van de Opiumwet. Het onderzoek startte in 2011 en betrof meerdere verdachten, waaronder de verdachte.
Na jarenlange procedurele stappen, waaronder getuigenverhoren en meerdere regiezittingen, bereikten het Openbaar Ministerie en de verdediging in 2023 een overeenkomst tot buitengerechtelijke afdoening. Deze overeenkomst omvatte taakstraffen, geldboetes en andere verplichtingen, die volledig zijn nagekomen door verdachte.
De officier van justitie vorderde daarop niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang, hetgeen door de verdediging werd ondersteund. De rechtbank oordeelt dat ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag voor deze afdoening onder rechterlijke procedure, het belang van verdachte en het principe van ne bis in idem dit rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukt dat dergelijke afdoeningen niet zonder wettelijke basis herhaald mogen worden en dat procesafspraken de juiste weg zijn. Gezien de bijzondere omstandigheden en volledige naleving van de overeenkomst verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.