ECLI:NL:RBZWB:2024:8414
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verzuimboete voor te late aangifte inkomstenbelasting 2018
Belanghebbende, met de Braziliaanse nationaliteit, diende haar aangifte inkomstenbelasting/premieheffing (IB/PVV) over 2018 te laat in, namelijk op 30 oktober 2019 in plaats van uiterlijk 29 juli 2019. Zij was gedurende ongeveer zes maanden in 2019 in Brazilië vanwege de ziekte van haar moeder en kampte met depressie, burn-out en PTSS. Belanghebbende stelde dat zij hulp nodig had om haar post te lezen en dat brieven van de Belastingdienst niet aan haar waren doorgestuurd.
De inspecteur legde een verzuimboete op, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelde dat het enkele feit van te late indiening voldoende is voor het opleggen van een verzuimboete, tenzij sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De rechtbank erkende de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, maar vond dat zij redelijkerwijs een regeling had kunnen treffen om haar fiscale verplichtingen na te komen, mede omdat zij ook in eerdere jaren aangifte te laat had gedaan.
De rechtbank achtte niet aannemelijk dat belanghebbende de herinneringen en aanmaningen niet had ontvangen en concludeerde dat er geen sprake was van avas. De boete werd passend en geboden geacht. Hoewel de redelijke termijn voor berechting ruimschoots was overschreden, leidde dit niet tot vermindering van de boete omdat deze lager was dan € 1.000. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete wegens te late aangifte inkomstenbelasting 2018 wordt ongegrond verklaard.