De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak waarin de man verzocht tot vernietiging van de erkenning van een minderjarige door de juridische vader en om vervangende toestemming voor erkenning door hemzelf. De rechtbank liet een DNA-onderzoek uitvoeren om het biologische vaderschap vast te stellen. Uit het DNA-onderzoek bleek met grote zekerheid dat de man niet de biologische vader is.
Naar aanleiding hiervan trok de man zijn verzoeken in, waarna de rechtbank deze verzoeken afwees. Tevens werd het gezamenlijke voorwaardelijke verzoek van de vrouw en de juridische vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen afgewezen, omdat een erkenning door de man niet aan de orde was.
De rechtbank bepaalde dat de kosten van het DNA-onderzoek, vastgesteld op €755 inclusief BTW, gelijkelijk tussen de man en de vrouw worden verdeeld, omdat beide partijen en de bijzondere curator hadden aangedrongen op het onderzoek. Verzoeken om de kosten geheel aan één partij toe te rekenen of ten laste van de rijkskas te brengen werden afgewezen. De bijzondere curator werd ontslagen van haar taak. De overige kosten worden door partijen zelf gedragen.