ECLI:NL:RBZWB:2024:8421

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
10 december 2024
Zaaknummer
C/02/418146 / FA RK 24-249
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning en verdeling kosten DNA-onderzoek vaderschap

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak waarin de man verzocht tot vernietiging van de erkenning van een minderjarige door de juridische vader en om vervangende toestemming voor erkenning door hemzelf. De rechtbank liet een DNA-onderzoek uitvoeren om het biologische vaderschap vast te stellen. Uit het DNA-onderzoek bleek met grote zekerheid dat de man niet de biologische vader is.

Naar aanleiding hiervan trok de man zijn verzoeken in, waarna de rechtbank deze verzoeken afwees. Tevens werd het gezamenlijke voorwaardelijke verzoek van de vrouw en de juridische vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen afgewezen, omdat een erkenning door de man niet aan de orde was.

De rechtbank bepaalde dat de kosten van het DNA-onderzoek, vastgesteld op €755 inclusief BTW, gelijkelijk tussen de man en de vrouw worden verdeeld, omdat beide partijen en de bijzondere curator hadden aangedrongen op het onderzoek. Verzoeken om de kosten geheel aan één partij toe te rekenen of ten laste van de rijkskas te brengen werden afgewezen. De bijzondere curator werd ontslagen van haar taak. De overige kosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming afgewezen; kosten DNA-onderzoek gelijk verdeeld tussen man en vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/418146 / FA RK 24-249
Datum uitspraak: 6 december 2024
Nadere beschikking
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L. Vermeer te Rhenen,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. [de bijzondere curator], advocaat, kantoorhoudende te [plaats] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt als belanghebbenden in deze zaak aan:
[minderjarige], voornoemd,
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg ,
[de juridische vader],
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • de (nadere) beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2024 en alle daarin genoemde stukken;
  • de deskundigenrapportage van 9 september 2024 van Verilabs;
  • het F9-formulier van 19 september 2024 van mr. Cox;
  • het F9-formulier van 20 september 2024 van mr. Vermeer.

2.De nadere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 20 juni 2024. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat het voor de beoordeling van en de beslissing op de verzoeken in deze procedure allereerst van belang is dat er duidelijkheid ontstaat over het biologische vaderschap van de man over [minderjarige] . De rechtbank heeft daarom een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is, waarbij Verilabs is benoemd tot deskundige. Het te betalen voorschot met betrekking tot voormeld DNA-onderzoek is voorlopig begroot op € 695,=. Nu de man als verzoekende partij procedeert op basis van een toevoeging, is het voorschot vooralsnog ten laste gekomen van ’s Rijks kas. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij in de eindbeschikking zal bepalen wie de definitieve kosten van het DNA-onderzoek dient te dragen. In afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek, heeft de rechtbank iedere verdere beslissing in deze procedure pro forma aangehouden tot 24 september 2024.
2.2.
Aan de orde zijn nog de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader;
aan de man vervangende toestemming te verlenen, naar de rechtbank begrijpt: ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, tot erkenning van [minderjarige] ;
de man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
een zorg-/omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , waarbij de opbouw, invulling en frequentie wordt bepaald door een nader te bepalen instantie;
een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man over [minderjarige] dient te informeren.
2.3.
Daarnaast is nog aan de orde het gezamenlijke verzoek van de vrouw en de juridische vader, bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek, te weten in geval van een eventuele erkenning door de man van [minderjarige] , om de vrouw en de juridische vader gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten.
2.4.
In voormelde deskundigenrapportage van 9 september 2024 heeft Verilabs naar aanleiding van het DNA-onderzoek dat is verricht, geconcludeerd dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet de biologische vader van [minderjarige] is.
2.5.
In voormeld F9-formulier van 19 september 2024 heeft mr. Cox, namens de vrouw, aangevoerd dat de verzoeken van de man dienen te worden afgewezen nu uit het DNA-onderzoek naar voren is gekomen dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. Daarnaast verzoekt de vrouw om te bepalen dat de man de volledige kosten van het DNA-onderzoek dient te voldoen. De vrouw heeft geen behoefte aan een nadere mondelinge behandeling van de voorliggende verzoeken.
2.6.
In voormeld F9-formulier van 20 september 2024 heeft mr. Vermeer, namens de man, aangevoerd dat de uitkomst van het DNA-onderzoek hem heeft verrast. Nu de man niet de biologische vader van [minderjarige] blijkt te zijn, trekt hij zijn verzoeken in deze procedure in. Omdat hij ervan overtuigd was dat hij de biologische vader van [minderjarige] is, zou hij het onredelijk vinden als de volledige kosten van het DNA-onderzoek voor zijn rekening komen. Zeker nu de vrouw eerder heeft aangegeven, nadat is gebleken dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is, dat er wat haar betreft dan maar één andere optie is, namelijk dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Het DNA-onderzoek was dan ook noodzakelijk om hier duidelijkheid over te scheppen. Daarbij komt dat de man procedeert op basis van een toevoeging. Gelet hierop verzoekt de man om de kosten van het DNA-onderzoek ten laste te laten komen van ’s Rijks kas.
2.7.
Gelet op voormelde reacties van de advocaten van de man en de vrouw, acht de rechtbank een nadere mondelinge behandeling niet nodig. Dit betekent dat deze zaak schriftelijk zal worden afgedaan.
2.8.
Nu de man zijn verzoeken heeft ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal deze verzoeken daarom afwijzen.
2.9.
Nu de man zijn verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning heeft ingetrokken en de rechtbank deze verzoeken zal afwijzen, kan de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd worden beschouwd. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom ontslaan van haar taak in deze procedure in eerste aanleg.
2.10.
De rechtbank overweegt dat het gezamenlijke zelfstandige verzoek van de vrouw en de juridische vader voorwaardelijk is gedaan, in die zin dat enkel in geval van een erkenning door de man van [minderjarige] wordt verzocht om de vrouw samen met de juridische vader te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] . Nu de man zijn verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning betreffende [minderjarige] heeft ingetrokken, is een erkenning door de man van [minderjarige] niet aan de orde. Dit betekent dat de voorwaarde die aan voormeld zelfstandig verzoek is verbonden, niet in vervulling gaat. Gelet hierop zal het gezamenlijke voorwaardelijke zelfstandige verzoek van de vrouw en de juridische vader worden afgewezen.
2.11.
Gelet op het voorgaande resteert nog de beslissing over de definitieve verdeling van de kosten van het DNA-onderzoek tussen de man en de vrouw. De kosten van de deskundige zijn definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW), hetgeen afwijkt van de voorlopige begroting. Namens partijen is geen verweer gevoerd tegen de hoogte van voormeld bedrag.
2.12.
Partijen zijn het niet eens over wie de kosten voor het deskundigenonderzoek dient te voldoen. Uitgangspunt bij afstammingszaken is om alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek te compenseren, waarbij de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.
2.13.
In deze zaak is de man de verzoekende partij, maar heeft de vrouw kennelijk rondom de conceptie van [minderjarige] met meerdere mannen seksueel contact gehad, waardoor onduidelijkheid over het biologische vaderschap betreffende [minderjarige] is ontstaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat zowel de man als de vrouw kennelijk de overtuiging had dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. De man is deze procedure gestart en heeft verzocht om de erkenning van de juridische vader van [minderjarige] te vernietigen en vervolgens de man vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van [minderjarige] . Daarnaast heeft hij verzoeken gedaan met betrekking tot gezag, omgang en informatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangedrongen op een DNA-onderzoek. De advocaat van de vrouw was het hiermee eens. Ook de bijzondere curator stelde zich op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] en de andere betrokkenen was dat er 100% zekerheid zou komen over de biologische werkelijkheid. De rechtbank was het daarmee eens en heeft een DNA-onderzoek gelast.
2.14.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken, hetgeen er tijdens de mondelinge behandeling is besproken en de uitkomst van het DNA-onderzoek waaruit bleek dat uitgesloten is dat de man de biologische vader is van [minderjarige] , zal de rechtbank de kosten van het DNA-onderzoek tussen de man en de vrouw verdelen in die zin dat iedere partij de helft van de kosten dient te dragen. Nu beide partijen en de bijzondere curator aangedrongen hebben op een DNA-onderzoek, kan niet gesproken worden van een “in het ongelijk gestelde” partij. De rechtbank is van oordeel dat verdeling van de kosten dan het meest redelijk is. Het verzoek van de vrouw om de man de veroordelen in de kosten van deze procedure zal daarom worden afgewezen.
2.15.
De rechtbank ziet voorts ook geen aanleiding om de kosten ten laste te laten komen aan ’s Rijks kas, zoals namens de man is verzocht. Dit kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld slechts de rechtbank een DNA-onderzoek noodzakelijk heeft geacht en dit onderzoek de stellingen van partijen heeft bevestigd. Dat de man procedeert met een toevoeging doet hier niet aan af. Het verzoek van de man om de kosten van het DNA-onderzoek ten laste te laten komen van ’s Rijks kas zal daarom eveneens worden afgewezen.
2.16.
Het voorgaande betekent dat de man en de vrouw samen een bedrag van € 755,= (inclusief BTW) dienen te voldoen, oftewel ieder een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW). Voormeld bedrag dienen zij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).
2.17.
De rechtbank zal de overige kosten die partijen in deze zaak hebben gemaakt tussen hen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst de verzoeken van de man af;
3.2.
wijst de zelfstandige (voorwaardelijke) verzoeken van de vrouw en de juridische vader af;
3.3.
ontslaat de bijzondere curator van haar taak in deze procedure in eerste aanleg;
3.4.
stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (inclusief BTW);
3.5.
bepaalt dat de man en de vrouw ieder de helft van de kosten van de deskundige moeten voldoen, zijnde een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;
3.6.
compenseert de kosten van partijen in deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024 door mr. Van Triest, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.