Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
4.Het verzoek en het verweer
5.De beoordeling
kanworden afgesproken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werknemer is sinds 1 juli 2024 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder proeftijdbeding of tussentijdse opzeggingsmogelijkheid. Op 30 juli 2024 zegde de werknemer de overeenkomst op met ingang van 1 augustus 2024, hetgeen de werkgever niet accepteerde.
De werkgever verzocht de kantonrechter om een vergoeding wegens deze onregelmatige opzegging, gelijk aan het brutoloon over de resterende duur van de overeenkomst. De werknemer voerde verweer en vroeg om matiging van de vergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was, omdat er geen wettelijke proeftijd of opzegmogelijkheid gold en de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hem anders was medegedeeld. De vergoeding werd toegewezen maar gematigd tot vier keer het bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag, rekening houdend met de korte duur van het dienstverband en de financiële situatie van de werknemer.
Daarnaast werden de proceskosten aan de zijde van de werknemer opgelegd en werd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding van viermaal het bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag wegens onregelmatige opzegging.