ECLI:NL:RBZWB:2024:851

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
C/02/415341 / JE RK 23-1898
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij haar zus

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 januari 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar zus, die tevens als netwerkpleeggezin fungeert. De minderjarige verblijft sinds juli 2023 bij haar zus en volgt een EMDR-therapie om traumatische ervaringen te verwerken.

Hoewel de minderjarige aangeeft weinig motivatie te hebben voor de therapie en geen contact wenst met haar moeder, toont zij vooruitgang en ervaart zij de woonplaats bij haar zus als prettig en stabiel. De kinderrechter constateert echter ook zorgen over haar emotionele regulatie en lichamelijke reacties, zoals veranderingen in eet- en slaappatroon, die aandacht behoeven.

De ouders waren opgeroepen maar verschenen niet bij de mondelinge behandeling. De kinderrechter hecht groot belang aan de voortzetting van de behandeling en de geplande evaluatie in januari 2024. Ook wordt benadrukt dat contact met de ouders niet verloren mag gaan.

Gezien het belang van continuïteit en stabiliteit in de persoonlijke ontwikkeling van de minderjarige, verlengt de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 27 juli 2024. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij haar zus wordt verlengd tot 27 juli 2024 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/415341 / JE RK 23-1898
Datum uitspraak: 5 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de zus] ,
hierna te noemen de zus,
wonende te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoek met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 26 oktober 2023;
  • de brief van [minderjarige] , zoals door de GI overgelegd tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • de zus van [minderjarige] , [de zus].
De moeder en de vader zijn juist opgeroepen, maar niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] is niet verschenen voor het gesprek met de kinderrechter, maar heeft haar mening in een brief verwoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 juli 2024.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2023 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten een netwerkpleeggezin ([de zus]) tot 27 januari 2024. Op grond hiervan verblijft [minderjarige] bij [de zus].

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten een netwerkpleeggezin ([de zus]) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft toegelicht dat [minderjarige] bezig is met EMDR-therapie. [minderjarige] heeft zelf verteld dat zij de basis van het contact met de therapeut meer vriendschappelijk ervaart dan een therapeute-cliënte verhouding. In januari 2024 zal er een evaluatie plaatsvinden om dit te bespreken. Het valt de GI op dat [minderjarige] niet flexibel is in haar emotieregulatie, zij houdt alles binnen en praat er niet over. Dat kan leiden tot een uitbarsting als er te veel wordt opgekropt, zoals waarschijnlijk eerder het geval was toen er een incident met de moeder heeft plaatsgevonden. Er worden nu zwaardere onderwerpen aangesneden tijdens de therapie en gezien wordt dat dit lastig is voor [minderjarige] . Dat is ook terug te zien in de lichamelijke reacties die zij hierop heeft, die reden tot zorg zijn voor de GI.Dit zal ook besproken worden bij de evaluatie. De ouders worden hier op verzoek van [minderjarige] niet bij betrokken. Op dit moment is er nog geen ruimte voor [minderjarige] om in contact te komen met de moeder, [minderjarige] wil eerst alles doen wat ze moet doen. Zij staat anders in het contact met de vader, daar gaat ze wel af en toe naartoe.
4.2.
[minderjarige] heeft laten weten dat zij graag bij haar zus wil blijven wonen, zij vindt het daar fijn. [minderjarige] wil voor nu geen contact met haar moeder, maar zij staat er wel voor open om haar vader af en toe te zien en te spreken. Tot slot heeft zij verklaard dat zij EMDR-therapie niets voor haar vindt en daarom weinig motivatie heeft om het traject af te ronden. Zij vindt het lastig om zich open te stellen als het gaat over de heftigere dingen.
4.3.
De zus heeft verteld dat het goed gaat met [minderjarige] bij haar thuis. De zus heeft ongeveer hetzelfde meegemaakt, dus kan goed bij [minderjarige] aansluiten. [minderjarige] zet echt stappen. Ze is veel rustiger sinds ze bij de zus is, ze zit op haar plaats bij de zus thuis. [minderjarige] zet stappen in de therapie, wat te merken is doordat ze alles bespreekbaar maakt en vertelt waar ze mee zit. Wel zijn er zorgen, namelijk over het eetgedrag en slaappatroon van [minderjarige] .. Op dit moment is school een stap te ver, EMDR-therapie is nu het enige waar [minderjarige] zich op moet focussen. [minderjarige] kan bij de zus blijven. Zij zal het contact tussen de ouders en [minderjarige] ook niet tegenhouden, haar eigen kinderen zien haar vader immers ook. Maar [minderjarige] zal waarschijnlijk eerst de EMDR-therapie moeten afronden voor er een opening kan zijn tot contact.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] inmiddels enige tijd bij haar [de zus] verblijft. Dit lijkt goed te gaan. [minderjarige] is begonnen met hulpverlening in de vorm van EMDR om traumatische ervaringen te verwerken. Hoewel zij zelf stelt dat ze EMDR-therapie niets voor haar vindt, wordt er wel vooruitgang gezien. Dat is positief. De kinderrechter uit echter ook grote zorgen over de reactie van [minderjarige] op de therapie. Gebleken is dat de zwaardere onderwerpen lastig zijn voor haar, gelet op de reacties die zij vertoont in haar eet- en slaappatroon. Hier moet aandacht voor zijn om te bezien op welke manier [minderjarige] het beste geholpen kan worden. Daarnaast moet er aandacht zijn voor de verhouding therapeute-cliënte en hoe dit door [minderjarige] ervaren wordt. De kinderrechter vindt het zodoende belangrijk dat behandeling voortgezet wordt, maar hecht daarbij groot belang aan de evaluatie die gepland staat om het hiervoor genoemde te bespreken.
5.3.
Voorts begrijpt de kinderrechter dat er nog altijd geen sprake is van contact tussen de moeder en [minderjarige] en ook met de vader is weinig contact. Dit contact moet niet uit het oog worden verloren en blijvend beoordeeld worden. Dat gezegd hebbende vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] op haar huidige, vertrouwde en voor haar stabiele plek kan blijven. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt en zij komt nu toe aan persoonlijke ontwikkeling en behandeling. Dat proces dient voortgezet te worden. Hiervoor is een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing nodig. De machtiging tot uithuisplaatsing zal dan ook worden verlengd tot einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 27 juli 2024.
5.4.
Tot slot merkt de kinderrechter op dat [minderjarige] dit jaar achttien jaar zal worden. Het is belangrijk dat hier nu al op geanticipeerd wordt en dat gekeken wordt hoe alles voor [minderjarige] geregeld is te zijner tijd. School en huisvesting zijn zaken die daar in ieder geval onder vallen. De kinderrechter vertrouwt er op dat de GI hier aandacht voor zal hebben.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg ([de zus]) tot 27 juli 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2024 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ginneke als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.