ECLI:NL:RBZWB:2024:8512
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres te Woensdrecht, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €344.000 per 1 januari 2022. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) die hierop was gebaseerd. De rechtbank beoordeelde het beroep op 31 oktober 2024, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde niet verschenen, maar de heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door een taxateur.
De rechtbank stelde vast dat de koopsom van de woning, €410.011 betaald op 24 juli 2021, een belangrijk uitgangspunt is voor de waardebepaling. De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatierapport en een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen werden meegenomen. Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vanwege verouderde voorzieningen, maar de rechtbank verwierp dit omdat dit al in de koopsom was verdisconteerd.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de WOZ-waarde van €344.000 niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €344.000 en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en gehandhaafd.