Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet omdat hij als bromfietser op 6 december 2022 in Oost-Souburg reed op een onverplicht fietspad, wat volgens artikel 6 RVV Pro niet is toegestaan. Betrokkene voerde aan dat het begrip bromfiets niet duidelijk in de RVV is gedefinieerd en dat er geen verbod geldt voor het gebruik van onverplichte fietspaden met een bromfiets. De officier van justitie handhaafde de boete, stellende dat bromfietsers met ingeschakelde motor alleen de rijbaan of het verplicht fietspad mogen gebruiken.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat, mede op basis van de verklaring van de verbalisant, en dat artikel 6 RVV Pro duidelijk voorschrijft dat bromfietsers het fiets/bromfietspad moeten gebruiken en anders de rijbaan. Het beroep inhoudelijk faalt daarom. Wel is vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door betrokkene niet te horen alvorens het beroep ongegrond te verklaren, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van die beslissing.
Daarom verklaarde de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en matigde de boete met 25% vanwege de structurele schending van de hoorplicht. Betrokkene krijgt het teveel betaalde bedrag terug. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter W.H.C. van Eck op 20 november 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en de boete wordt met 25% gematigd tot € 75,- plus administratiekosten.