Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 8 september 2022 in Ritthem. Betrokkene stelde dat de verklaring van de verbalisant te summier was om de gedraging vast te stellen en voerde een schending van het gelijkheidsbeginsel aan met betrekking tot artikel 13a lid 5 Wahv. Tevens werd een proceskostenvergoeding gevraagd.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant, hoewel summier, voldoende was en dat betrokkene bij staandehouding niet heeft ontkend de gedraging te hebben verricht. De boete was daarom terecht opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure meer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete.
Daarom werd de boete gematigd met 25%. Tevens werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen en werd een proceskostenvergoeding van €875 toegekend voor de kosten in de fase van het beroep bij de kantonrechter.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete wordt met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.