Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden te Kruiningen op 12 oktober 2022. Betrokkene stelde dat de verklaring van de verbalisant te summier was en dat er onvoldoende onderbouwing was voor het ontbreken van een staandehouding. Ook werd een proceskostenvergoeding gevraagd.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende was om de gedraging vast te stellen en dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding vanwege het gebruik van een onopvallend voertuig zonder stopmiddelen. Hierdoor was het terecht dat de boete aan de kentekenhouder werd opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling met drie weken was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen en een proceskostenvergoeding van €875 toegekend aan betrokkene.
De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond; boete gematigd met 25% en proceskostenvergoeding toegekend.