Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het rijden met een voertuig waarvan een band niet voldeed aan de profielvereisten op de Rijksweg A27 te Bavel op 22 juni 2022. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die de inleidende beschikking vernietigde en een proceskostenvergoeding toekende.
Tegen deze beslissing van de officier van justitie werd vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de officier van justitie ten onrechte samenhang had toegepast met 18 andere zaken, omdat het verschillende feitencomplexen en verweren betrof. Tevens werd een proceskostenvergoeding gevorderd.
De kantonrechter oordeelde dat de officier van justitie terecht had geoordeeld dat sprake was van samenhangende zaken, omdat de beroepschriften vrijwel identieke standaardverweren bevatten en de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek waren. Hierdoor kon de proceskostenvergoeding als één geheel worden vastgesteld.
Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie met betrekking tot de proceskostenvergoeding werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het beroep tegen de boete zelf werd eveneens ongegrond verklaard, waarmee de boete in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.