Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen op de Houtmarkt te Breda op 22 december 2022. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de boete onredelijk was omdat de gemeente niet had voldaan aan de voorwaarden van het Beleidskader digitale handhaving, met name het verzenden van waarschuwingsbrieven tijdens een waarschuwingsperiode. De kantonrechter stelde vast dat de waarschuwingsperiode liep van 4 december 2019 tot 5 januari 2020 en dat daarna digitale handhaving zonder waarschuwingen werd toegepast.
De kantonrechter concludeerde dat de overtreding vaststond en dat de boete terecht was opgelegd. Er was geen grond om de boete te matigen of te vernietigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.