Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Backer en Ruebweg te Breda op 14 juni 2022. De boete was oorspronkelijk opgelegd alsof betrokkene in een personenauto reed, terwijl hij op een bromfiets reed. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard.
Op de zitting van 19 augustus 2024 bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd het beroep behandeld. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststaat, maar dat het boetebedrag onjuist was vastgesteld omdat het om een bromfiets ging. Het boetebedrag werd daarom gematigd van het hogere bedrag voor een personenauto naar het lagere bedrag van € 240,- voor een bromfiets.
Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van de procedure was overschreden, waardoor de boete verder werd gematigd tot € 180,- plus administratiekosten. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen en werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 437,50.
De uitspraak is openbaar gedaan door kantonrechter R.J.H. de Brouwer op 19 augustus 2024. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Boete gematigd tot € 180,- plus administratiekosten, terugbetaling teveel betaalde zekerheid en toekenning proceskostenvergoeding.