Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:8612

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
BRE 24/3269
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening parkeerbelastingen Breda 2023Art. 8 Verordening parkeerbelastingen Breda 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Breda

Belanghebbende is op 18 december 2023 met zijn auto gestopt in een parkeervak aan een straat in Breda waar parkeerbelasting geldt. Tijdens een controle werd geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, waarna een naheffingsaanslag van € 55,05 werd opgelegd.

Belanghebbende voerde aan dat hij slechts kort had stilgestaan om iemand op te halen, wat volgens hem viel onder het begrip 'onmiddellijk in- of uitstappen' waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn. De rechtbank overweegt echter dat het begrip 'onmiddellijk in- of uitstappen' beperkt is tot daadwerkelijke in- en uitstapbewegingen zonder bijkomende activiteiten.

Omdat belanghebbende uitstapte, de straat overstak, aanbelde en wachtte tot zijn kennis klaar was om mee te gaan, werd de periode van stilstaan verlengd en valt dit onder parkeren. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3269

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 februari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft aan partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 6 december 2024 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 18 december 2023 een auto met kenteken [kenteken] stil gezet aan de [straat] te Breda. Deze plaats is door de gemeente aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
3.1.
Tijdens een controle door middel van een scanauto omstreeks 15.09 uur op die datum is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 55,05, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 52,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Motivering

4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
4.1.
Belanghebbende stelt dat geen sprake was van parkeren maar van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Belanghebbende heeft de auto in een parkeervak tot stilstand gebracht, is uitgestapt en naar de overkant van de straat gelopen en heeft aangebeld op huisnummer [nummer] om een kennis op te halen. Omdat de auto zeer kort in het parkeervak heeft gestaan en belanghebbende continue (buiten) in de nabijheid van de auto is geweest, is geen sprake van parkeren, aldus belanghebbende.
4.2.
De rechtbank overweegt dat onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ als bedoeld in de Verordening slechts handelingen kunnen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen vormen. Het gedurende 2 à 3 minuten op de parkeerplaats achterlaten van een auto kan daaronder niet worden begrepen. [2] Het doen staan van een voertuig in een parkeervak is voldoende om belastingplichtig te zijn.
4.3.
De rechtbank leidt uit de verklaring van belanghebbende af dat hij de auto in ieder geval enkele minuten heeft laten stilstaan in het parkeervak. Belanghebbende is namelijk uitgestapt, is de straat overgestoken, heeft aangebeld en gewacht totdat zijn kennis haar jas had aangedaan en is vervolgens samen met haar de straat overgestoken om in de auto te stappen. Indien, zoals in dit geval, naast het in- en/of uitstappen activiteiten plaatsvinden die daarmee geen direct verband houden (zoals het ophalen van iemand bij zijn woning) en waardoor de periode van het stilstaan wordt verlengd, is geen sprake van het onmiddellijk in- en uitstappen, maar van parkeren in de zin van de Verordening. Daaruit volgt dat parkeerbelasting verschuldigd was.
4.4.
Nu vaststaat dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan, is naar het oordeel van de rechtbank de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 17 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie artikel 8 van Pro de Verordening parkeerbelastingen Breda 2023 (de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeren Breda 2023.
2.Vgl. Hof Arnhem 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627.