De inspecteur legde aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en een aanslag IB/PVV 2019 op, beide inclusief belastingrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen, waarna de rechtbank de beroepen op 9 december 2024 behandelde.
Tijdens de zitting bereikten partijen een compromis waarin werd overeengekomen dat slechts een deel van de schadevergoeding van € 170.000 belast zou worden, namelijk € 18.000, en het meerdere onbelast blijft. Op basis hiervan vernietigde de rechtbank de navorderingsaanslag over 2017 en verminderde de aanslag over 2019 tot een belastbaar inkomen van € 15.514.
De rechtbank oordeelde dat de belastingrente die bij de navorderingsaanslag 2017 in rekening was gebracht eveneens moest worden vernietigd, en dat de belastingrente bij de aanslag 2019 overeenkomstig de vermindering moest worden aangepast. Omdat de beroepen gegrond waren, werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 2.998 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren op 16 december 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.