Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het voetpad op een locatie waar de rijbaan niet werd gebruikt, veroorzaakt door wegwerkzaamheden die de gebruikelijke route blokkeerden. Betrokkene voerde aan dat de situatie verwarrend was en dat de bebording niet goed zichtbaar was, waardoor hij niet op de overtreding was gewezen.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar erkende een schending van de hoorplicht en vroeg om matiging van de boete. De rechtbank stelde vast dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en dat betrokkene als bestuurder ook had kunnen afstappen.
De rechtbank oordeelde dat de schending van de hoorplicht leidt tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie en matigde de boete met 25%. Daarnaast was er sprake van overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar, wat een extra matiging van 25% rechtvaardigt. De boete werd uiteindelijk gematigd tot € 84,38 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag werd terugbetaald.
Uitkomst: De boete wordt gematigd tot € 84,38 plus administratiekosten vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.