Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 2009 met berging en parkeerplaats. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2020 vastgesteld op €264.000 en de aanslag OZB opgelegd. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de waarde maximaal €237.000 zou moeten zijn. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld door vergelijking met referentiewoningen in hetzelfde complex.
De heffingsambtenaar heeft een waarderapport met een taxatiematrix overgelegd waarin drie referentiewoningen zijn gebruikt die qua uitstraling, ligging, bouwjaar en gebruiksoppervlakte vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht deze referentiewoningen geschikt om de waarde te onderbouwen. Belanghebbende voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met geluidsoverlast en slechte luchtkwaliteit door een nabijgelegen weg, maar de rechtbank oordeelt dat deze waardedrukkende effecten reeds zijn verdisconteerd in de verkoopprijzen van de referentiewoningen.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd. Omdat belanghebbende eerder het griffierecht heeft vergoed gekregen, wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.