ECLI:NL:RBZWB:2024:8669
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres te Breda, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €968.000 per 1 januari 2022. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023, welke aanslag gekoppeld is aan de WOZ-waarde.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en uit dezelfde periode werden gebruikt. Er was rekening gehouden met verschillen in onderhoud, voorzieningen en inhoud door middel van een taxatiematrix en een neerwaartse correctie van €89.576 wegens achterstallig onderhoud.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met bouwkundige staat, kwaliteit en uitstraling van de woning, wat het woongenot aantast. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk had gemaakt dat deze factoren waren meegenomen, mede door een inpandige opname en het toepassen van een onderhoudscorrectie.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft daardoor gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan op 19 december 2024 door rechter W. Toekoen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €968.000 blijft gehandhaafd.