Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen te Middelburg, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €368.000 per 1 januari 2022. De woning betreft een twee-onder-een-kapwoning uit 1998 met een oppervlakte van 165 m2 en aanvullende voorzieningen zoals een berging en garage.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €342.000 voor, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De heffingsambtenaar baseerde de vaststelling op een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, onder meer door waarderingen van afzonderlijke onderdelen en correcties voor onderhoudstoestand en voorzieningen. Tevens is een mogelijke schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ niet aannemelijk en leidt deze niet tot proceskostenvergoeding.
Daarom blijft de WOZ-waarde gehandhaafd en wordt het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter L. Weerkamp op 16 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €368.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.