ECLI:NL:RBZWB:2024:8707
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. Weerkamp
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €227.000
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €227.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en dat bepaalde gegevens, waaronder onderdelen van de woning en vergelijkingsobjecten, niet tijdig waren verstrekt, wat een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zou betekenen.
De rechtbank heeft beoordeeld of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld en of de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan. De gebruikte vergelijkingsmethode met referentiewoningen uit dezelfde buurt, bouwjaar en oppervlakte is door de rechtbank als voldoende vergelijkbaar beoordeeld. De heffingsambtenaar heeft inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en de referentiewoningen, onder meer door waardering van afzonderlijke onderdelen en correcties voor onderhoudsniveau.
De rechtbank oordeelt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de stellingen van belanghebbende onvoldoende bewijs bieden om dit te veranderen. Hoewel belanghebbende stelde dat artikel 40 Wet Pro WOZ is geschonden door het niet verstrekken van bepaalde gegevens, is geoordeeld dat eventuele schending niet heeft geleid tot benadeling, mede doordat gegevens alsnog in de beroepsfase zijn verstrekt. Daarom wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €227.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.