ECLI:NL:RBZWB:2024:871
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1961 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €212.000 per 1 januari 2021. Hij stelt dat de waarde maximaal €195.000 bedraagt. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en baseert deze op een taxatiematrix met vergelijkingswoningen.
De rechtbank beoordeelt de gebruikte vergelijkingsmethode en referentiewoningen en concludeert dat deze voldoende vergelijkbaar zijn qua ligging, bouwjaar en grootte. De heffingsambtenaar heeft inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen zoals onderhoud en de aanwezigheid van een brandgang.
Belanghebbendes argumenten over het onderhoud en de brandgang worden verworpen omdat de heffingsambtenaar deze aspecten adequaat heeft verwerkt in de waardebepaling. De rechtbank ziet geen reden om de WOZ-waarde te verlagen of proceskosten toe te kennen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €212.000 gehandhaafd.