ECLI:NL:RBZWB:2024:872
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een eindwoning uit 1955 met diverse voorzieningen. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €232.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en een lagere waarde van €215.000 aanvoerde.
De rechtbank toetste de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de buurt en rond de waardepeildatum werden gebruikt. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en hield rekening met verschillen in voorzieningen, ligging en onderhoud.
Belanghebbende bracht een eigen taxatierapport in, maar dit ontbrak aan voldoende onderbouwing van de verschillen tussen referentiewoningen. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.Z.B. Sterk op 21 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard; de waarde van €232.000 en aanslag blijven gehandhaafd.