ECLI:NL:RBZWB:2024:873
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning te Tilburg niet te hoog vastgesteld
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning uit 1941 te Tilburg, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €270.000 per 1 januari 2021. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld en of de gebruikte vergelijkingsmethode en referentiewoningen voldoende onderbouwd waren.
De heffingsambtenaar had de waarde bepaald met een taxatiematrix, gebaseerd op vijf referentiewoningen in de nabijheid die qua bouwjaar, oppervlakte en ligging vergelijkbaar waren. Correcties waren toegepast voor verschillen in voorzieningen, onderhoud en de aanwezigheid van een brandgang op het perceel. Belanghebbende stelde dat een deel van het perceel als brandgang niet privé gebruikt kon worden en buiten de waardering moest blijven, maar de rechtbank vond dat de heffingsambtenaar dit adequaat had meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde lager moest zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd bleven. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €270.000 blijft gehandhaafd.