ECLI:NL:RBZWB:2024:874
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning uit 1941 te Tilburg
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1941 te Tilburg, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2021 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €254.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt een maximale waarde van €240.000 voor. De rechtbank beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld.
De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken zijn gebruikt. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd, opgesteld door een taxateur, waarin correcties zijn toegepast voor verschillen in onderhoud, voorzieningen en grondwaarde. De rechtbank acht de referentiewoningen en de gehanteerde correcties voldoende vergelijkbaar en onderbouwd.
Belanghebbende voerde aan dat de voorzieningen gedateerd zijn en dat in de beroepsfase andere waardes werden gehanteerd dan in de bezwaarfase, maar de rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar in elke fase de waarde mag onderbouwen met nieuwe gegevens. De voorzieningen zijn volgens de taxateur als gemiddeld gewaardeerd, wat de rechtbank aannemelijk acht.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag onroerendezaakbelasting wordt daarmee gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €254.000 gehandhaafd.