In deze zaak vordert eiser ontruiming van een woning die op grond van een tijdelijke bruikleenovereenkomst aan gedaagde ter beschikking is gesteld. De overeenkomst, gesloten in 2013, voorzag in een tijdelijke en niet-huurrechtelijke gebruiksregeling met een opzegtermijn van één maand. Eiser heeft de overeenkomst in oktober 2024 opgezegd en verlangt dat gedaagde de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimt.
Gedaagde betwist dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft en stelt dat door het langdurig gebruik een huurovereenkomst is ontstaan. Tevens voert hij aan dat eiser geen spoedeisend belang heeft bij de ontruiming, omdat concrete plannen voor de woning ontbreken en de geplande werkzaamheden pas over jaren zullen plaatsvinden.
De voorzieningenrechter overweegt dat het spoedeisend belang ontbreekt nu de door eiser aangevoerde plannen onvoldoende concreet zijn en de werkzaamheden pas in 2030 gepland staan. Hierdoor is de vordering niet toewijsbaar en worden de overige standpunten niet behandeld. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.