ECLI:NL:RBZWB:2024:8791
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en aanslag OZB
Belanghebbende is eigenaar van een geschakelde woning uit 1993 met een woonoppervlakte van 157 m² gelegen op een perceel van 547 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €552.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen deze waardebepaling en stelde dat de waarde maximaal €530.000 zou moeten zijn. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald door vergelijking met referentiewoningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht.
De heffingsambtenaar gebruikte een taxatiematrix met referentiewoningen die qua ligging, uitstraling en bouwjaar voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank liet een referentiewoning buiten beschouwing die niet binnen een jaar voor of na de waardepeildatum was verkocht. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, waaronder het duurzaamheidsniveau en voorzieningen.
Hoewel de rechtbank erkende dat in de taxatiematrix geen correctie was toegepast voor afnemend grensnut, zou een dergelijke correctie de vastgestelde waarde niet onder de beschikking van €552.000 brengen. De rechtbank verwierp verder de stelling van belanghebbende dat de verkoopcijfers onjuist waren geïndexeerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de beschikking blijft gehandhaafd.