ECLI:NL:RBZWB:2024:8823
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning na bezwaar tegen heffingsaanslag OZB
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die op 1 januari 2022 werd vastgesteld op €570.000 en leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode met referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren qua type, ligging en bouwjaar. Hoewel belanghebbende stelde dat onjuiste objectkenmerken zoals een carport, dakopbouw en berging ten onrechte waren meegewogen, erkende de heffingsambtenaar dit voor de carport en dakopbouw en paste hij een herberekening toe.
De herberekende getaxeerde waarde bleef hoger dan de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen woningen en dat de waardering niet te hoog was. Ook het argument over een lagere waarde van een vergelijkbare woning en de stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van voorgaande jaren leidde niet tot een andere conclusie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de WOZ-waarde van €570.000. De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders op 20 december 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €570.000 wordt gehandhaafd.