De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 5 december 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van diefstal en oplichting door middel van bankpasfraude in juli 2023. De officier van justitie achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte wegens gebrek aan bewijs.
Uit het dossier kwamen aanwijzingen naar voren, zoals Snapchatberichten en camerabeelden waarop verdachte samen met een medeverdachte te zien was. Desondanks vond de rechtbank het bewijs onvoldoende om verdachte te verbinden aan de ten laste gelegde feiten, mede omdat de berichten dateren van weken vóór de feiten en de plaatsing op de plaats delict alleen berust op een twijfelachtige verklaring van een medeverdachte.
De rechtbank sprak verdachte vrij van beide feiten. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €1.950,-, maar aangezien verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De kosten werden begroot op nihil en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van verdachte.