ECLI:NL:RBZWB:2024:8867

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
BRE 23/9395
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen omgevingsvergunning splitsing woning wegens ontbreken procesbelang

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning die door het college was verleend aan vergunninghoudster voor het splitsen van een woning op een locatie van een voormalig pompstation. De vergunning maakte het mogelijk om in totaal vijf wooneenheden te realiseren, terwijl het toen geldende bestemmingsplan slechts vier toestond.

Tijdens de procedure is een nieuw bestemmingsplan vastgesteld dat het realiseren van maximaal vijf wooneenheden op deze locatie toestaat. Hierdoor is het geschilpunt over het aantal wooneenheden feitelijk komen te vervallen. De rechtbank beoordeelt dat eisers geen actueel en reëel belang meer hebben bij hun beroep, omdat het maximale aantal wooneenheden nu volgens het geldende bestemmingsplan is toegestaan.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding om de inhoudelijke beroepsgronden te behandelen. Wel veroordeelt zij het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eisers, omdat het college aan het verzoek van eisers tegemoet is gekomen met het nieuwe bestemmingsplan.

De uitspraak is op 19 december 2024 mondeling gedaan door rechter E.J. Govaers. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/9395

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

19 december 2024 in de zaak tussen

[eisers] , uit [plaats] , eisers,

gemachtigde: mr. N. Baas,
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, college,

gemachtigde: mr. S. Asghar.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] , vergunninghoudster,
gemachtigde: mr. J. Ossewaarde.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de bij besluit van 18 januari 2022 door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning aan het [adres] te [plaats] (perceel). Met het bestreden besluit van 18 juli 2023 op het bezwaar van eisers heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het college op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster. De gemachtigde van eisers en het college hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
1.2.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2. Op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster was het ‘ [bestemmingsplan 1] ’ (bestemmingsplan 5e herziening) van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan waren op de gronden van het voormalige pompstation maar vier wooneenheden toegestaan. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de op 18 januari 2022 aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning, omdat er door de verleende omgevingsvergunning in totaal vijf wooneenheden gerealiseerd zouden worden. In het bestreden besluit heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, omdat zij zekerheid willen hebben over het rechtmatig mogen wonen op hun locatie. Na het nemen van het bestreden besluit heeft is het ‘ [bestemmingsplan 2] ’ (bestemmingsplan 6e herziening) vastgesteld en in werking getreden. Op grond van dit bestemmingsplan zijn maximaal vijf wooneenheden op de hiervoor genoemde gronden toegestaan.
2.1
Hangende beroep heeft de rechtbank op 10 december 2024 een aanvullend verweerschrift van het college ontvangen. Het college stelt dat het beroep van eisers
niet-ontvankelijk is, omdat op grond van het bestemmingsplan 6e herziening het college volledig aan het belang/verzoek van eisers tegemoet is gekomen. Dat heeft het college op
24 oktober 2024 aan eisers bevestigd. Uit de bijlagen bij het aanvullende verweerschrift volgt tevens dat er ook geen sprake is van een vermoeden of aanleiding om handhavend op te treden.
2.2
De rechtbank ziet in het voorstaande aanleiding om allereerst te beoordelen of eisers nog procesbelang hebben bij de uitkomst van deze procedure, ofwel wat zij concreet met hun beroep willen dan wel kunnen bereiken. Het gaat dan niet om de vraag of eisers gelijk hebben, maar het gaat erom of zij een reëel en actueel belang hebben bij het gelijk, als zij dat zouden hebben [1] . Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet meer het geval. Alle partijen zijn het er op dit moment over eens dat op de locatie van het voormalige pompstation maximaal vijf wooneenheden gerealiseerd mogen worden. Rekening houdend met de al bestaande woningen, inclusief de woning van eisers, en de gesplitste woningen van vergunninghoudster zijn er vijf wooneenheden. Eisers hebben hierdoor dan ook het maximale bereikt wat zij met deze procedure willen en kunnen bereiken. Het beroep van eisers is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank ook niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, waaronder de wens van eisers dat de rechtbank een declaratoire uitspraak doet over de gestelde handelwijze van het college.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning niet (meer) inhoudelijk door de rechtbank wordt beoordeeld en dat deze dus in stand blijft.
3.1
Gelet op de omstandigheid dat het college eisers op 24 oktober 2024 heeft bericht dat het volledig aan het belang/verzoek van eisers tegemoet komt, bestaat in beginsel wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eisers. De rechtbank veroordeelt het college daarom in de door eisers redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,00, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding om ook te bepalen dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt, omdat het college aan het beroep tegemoet is gekomen.
3.2
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college tot betaling van € 184,00 aan griffierecht aan eisers;
- veroordeelt het college tot betaling van € 875,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is openbaar uitgesproken ter zitting op 19 december 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier. Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2046.