Op 22 februari 2024 werd verdachte aangehouden bij de grensovergang tussen België en Nederland met bijna 120 kilogram cocaïne in zijn voertuig. Verdachte verklaarde niets te weten van de drugs en dat hij slechts dozen vervoerde voor een onbekende tegen een vergoeding. De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht over de cocaïne had, mede gelet op het ontbreken van een verifieerbare verklaring en de onwaarschijnlijkheid dat een grote partij drugs aan een onwetende zou worden toevertrouwd.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de cocaïne heeft ingevoerd. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid werd bevestigd, zonder strafuitsluitingsgronden.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vijf jaar, welke de rechtbank passend achtte gezien de omvang van de drugs, de betrokkenheid van verdachte bij een grotere organisatie en de ernst van het feit. Persoonlijke omstandigheden, waaronder het recente overlijden van de partner en de zorg voor jonge kinderen, werden meegewogen maar boden geen grond voor een lichtere straf. De voorlopige hechtenis bleef geschorst vanwege de zorgsituatie van verdachte.