De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 december 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en de beoordeling van het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit.
De minderjarige is sinds zijn geboorte uit huis geplaatst en verblijft sinds april 2024 in een pleeggezin. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en bevestiging dat het perspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt, maar bij het pleeggezin. De ouders stemden in met verlenging, maar betwistten het perspectiefbesluit.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbank om het perspectief bij het pleeggezin te bepalen. De rechtbank oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en verlengde de machtiging tot 12 februari 2025. Tevens bevestigde de rechtbank dat het perspectief van de minderjarige bij het pleeggezin ligt vanwege de problematiek en zorgbehoefte van de ouders.
De rechtbank benadrukte het belang van het contact tussen de ouders en de minderjarige en de rol van de pleegouders in het bieden van veiligheid en stabiliteit. De ouders blijven belangrijk voor de minderjarige, ondanks het perspectiefbesluit. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.