Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor één maand te sluiten vanwege het aantreffen van 44,69 gram MDMA, een weegschaal en gripzakjes, vermoedelijk bestemd voor handel. De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet en het gemeentelijk beleid dat bij een eerste overtreding in een woning van een woningcorporatie sluiting van één maand voorschrijft.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, maar dat de noodzaak en evenredigheid van de maatregel onvoldoende waren aangetoond. Er was geen bewijs van feitelijke handel vanuit de woning, geen meldingen van overlast gerelateerd aan drugshandel en geen aanwijzingen dat verzoekster op de hoogte was van de drugs. De aanwezigheid van een 'andere vrouw' die mogelijk verantwoordelijk was voor de drugs was onvoldoende onderzocht.
De rechter concludeerde dat de belangen van verzoekster om in de woning te blijven zwaarder wegen dan het belang van de burgemeester bij sluiting. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.