De kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een bodemzaak tussen Stichting Woonkwartier en huurder betreffende de ontbinding van een huurovereenkomst. Woonkwartier stelde dat de huurder niet (steeds) zijn hoofdverblijf in de woning had, wat een tekortkoming oplevert die ontbinding rechtvaardigt.
De huurder werd bij tussenvonnis verplicht om diverse bewijsstukken te overleggen ter onderbouwing van zijn hoofdverblijf, waaronder gegevens over water- en elektriciteitsverbruik, tv-/internetabonnementen en inboedelverzekeringen. De huurder leverde echter onvoldoende bewijs en motivering, zoals het ontbreken van verklaringen van leveranciers en onduidelijkheid over het gebruik van een schotelantenne.
De kantonrechter concludeerde dat de huurder niet voldeed aan zijn verzwaarde motiveringsplicht en dat de stellingen van Woonkwartier daarom als voldoende bewezen werden aangenomen. Dit betekent dat de huurder niet steeds zijn hoofdverblijf in de woning had, wat een tekortkoming vormt.
Desondanks wees de kantonrechter de ontbindingsvordering af vanwege de belangenafweging: het belang van het minderjarige kind dat sinds september 2023 bij de huurder woont, de langdurige huurrelatie sinds 1988, het ontbreken van huurachterstand en de medische situatie van de huurder. De kantonrechter benadrukte dat de huurder zijn hoofdverblijf in de woning moet blijven hebben, anders kan ontbinding in de toekomst alsnog volgen.
Woonkwartier werd veroordeeld in de proceskosten van €510,00. Het vonnis werd gewezen door rechter Borm en op 24 december 2024 openbaar uitgesproken.