ECLI:NL:RBZWB:2024:9014

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
30 december 2024
Zaaknummer
10861922 \ MB VERZ 24-10
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens onzichtbare parkeervergunning

Betrokkene kreeg een boete voor het parkeren zonder zichtbare parkeervergunning op een vergunninghoudersplaats. Betrokkene stelde dat zij een geldige vergunning had en dat deze zichtbaar was in de auto. De officier van justitie wees het beroep af op basis van foto’s waaruit bleek dat geen vergunning zichtbaar was.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond, maar dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet te horen. Dit leidde tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie en matiging van de boete met 25% wegens deze schending.

Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling overschreden, wat een extra matiging van 25% rechtvaardigde. De boete werd derhalve verminderd en het teveel betaalde bedrag moest worden terugbetaald. Het beroep tegen de boete werd daardoor gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, boete gematigd en teveel betaalde zekerheid terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer : 10861922 \ MB VERZ 24-10
CJIB-nummer : 4062 5422 5033 4680
Uitspraakdatum : 1 oktober 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 oktober 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden op de [straat] te Zierikzee (gemeente Schouwen-Duiveland) op 12 juni 2022 om 10:37 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat zij in bezit is van een geldige parkeervergunning en dat deze zichtbaar in de auto aanwezig was. Sinds 1 augustus 2007 is betrokkene in het bezit van een parkeervergunning. De nieuwe vergunning is vanaf 9 mei 2022 geldig, want zij heeft een nieuwe auto waardoor de vergunning op het nieuwe kenteken over moet worden geschreven. Betrokkene stelt het opmerkelijk te vinden dat de officier van justitie doorslaggevende betekenis toekent aan de verklaring van de verbalisant. Betrokkene was verrast door de beschikking, vooral door het formulier wat zij onder de ruitenwisser heeft gevonden. Betrokkene was er op dat moment van overtuigd dat een ander voertuig zonder parkeervergunning een boete had gekregen. Vanaf 1 januari 2023 waren de papieren vergunningen niet meer verplicht, maar kon er op kenteken worden gecontroleerd. Op 15 december 2022 heeft betrokkene dat in orde gemaakt waardoor zij de vergunning voor 2023 op kenteken heeft staan.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep inhoudelijk ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de foto in het dossier blijkt dat er geen zichtbare vergunning achter de voorruit van het betreffende voertuig aanwezig was ten tijde van de constatering. Hierdoor kan de gedraging worden vastgesteld. De feitcode is opgelegd voor mensen die over een vergunning beschikken, maar niet hebben voldaan aan de vereisten van de vergunning. Zoals in dit geval, de geldige vergunning zichtbaar in het voertuig plaatsen. Daarbij is betrokkene bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden. Vanwege deze schending van de hoorplicht verzoekt de zittingsvertegenwoordiger de boete te matigen met 25%. Voorts is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boete nogmaals te matigen met 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto’s in het dossier - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om de boete te matigen en neemt daarbij het standpunt van de zittingsvertegenwoordiger over.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 30 juni 2022 en is de redelijke termijn dus met meer dan drie maanden overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd.
Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in
€ 56,25 plus € 9,- administratiekosten;
- draagt de officier van justitie op het bedrag van € 43,75 dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: