ECLI:NL:RBZWB:2024:913
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde ongegrond verklaard
De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het plegen van het feit, maakte bezwaar tegen het bevel tot het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Hij stelde dat de DNA-afname onevenredig zwaar is gezien de relatief geringe ernst van de verdenking en zijn kwetsbaarheid. De rechtbank behandelde het bezwaar in besloten raadkamer en hoorde de officier van justitie, terwijl de veroordeelde en zijn raadsvrouw niet verschenen.
De officier van justitie voerde aan dat de wet een strikt toetsingskader kent en dat bij een veroordeling voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, DNA-afname verplicht is. De opgelegde straf, bestaande uit een taakstraf van 80 uur en deels voorwaardelijke jeugddetentie, wijst op een veroordeling van voldoende ernst. Ook het recidiverisico wordt als niet gering beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat de minderjarigheid van de veroordeelde weliswaar moet worden betrokken bij de beoordeling van uitzonderingssituaties, maar dat de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven om af te wijken van de wettelijke verplichting tot DNA-afname. De feiten betreffen afpersing en medeplegen van oplichting, gepleegd over een langere periode, met een verhoogd recidiverisico. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel blijft van kracht.